Een efficiënte gemeente zet haar formatie en financiën in op de meest risicovolle en prioritaire aspecten. In een omgevingsbeleid legt de gemeente vast welke aspecten dit voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zijn, welke doelstellingen de gemeente met haar inzet wil bereiken en op welke wijze ze dit wil borgen. Daarmee is de gemeente ‘in control’. Doordat de gemeenten Woudrichem, Werkendam en Aalburg gezamenlijk het beleidskader ontwikkelen kan efficiënter worden voldaan aan de gemeentelijke ambities én de kwaliteitscriteria. Tevens ontstaat uniformiteit in het beleidskader binnen het Land van Heusden en Altena.
Arena Consulting werkt in opdracht van de drie gemeenten een strategisch en tactisch-operationeel beleidskader voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving uit. Daarbij wordt uitgegaan van een gemeenschappelijke basis en maatwerk waar wenselijk. De analyse die ten grondslag ligt aan het omgevingsbeleid is gebaseerd op een verdieping in gebiedstypen (bedrijventerreinen, kernen, recreatieterreinen en landelijk gebied) en doelgroepen (burgers, recreanten en bedrijven).
De Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ) is een jonge organisatie, gevormd door medewerkers van de gemeenten Voorst, Epe, Brummen en Apeldoorn en de provincie Gelderland. Het team Handhaving is één van de teams van de dienst. De kaders waarbinnen het team Handhaving functioneert zijn voor een deel niet inzichtelijk; medewerkers van het team hebben behoefte aan duidelijkere kaders. Bestaande kaders (bedrijfsplan, inrichtingsplan, PDC, kwaliteitscriteria e.d.) zijn naar de achtergrond verdwenen en zijn voor een deel ontoereikend. Door de omgevingsdienst is Arena Consulting gevraagd in een korte slag het team Handhaving op weg te helpen. Dit door een analyse te maken van de bestaande kaders (IST), in beeld te brengen welke kaders (met welke diepgang en status) nodig zijn (SOLL) en een voorstel te doen voor de aanpak ter verbetering van de kaders (GAP).
Bij alle vormen van centralisatie en samenwerking ontstaan vragen rondom financiën. Deze vragen worden veelal per dossier opgepakt; uitwisseling is er dan slechts op een enkel dossier. De gemeente Hoorn wil komen tot een algemeen financieel beleidskader op basis waarvan kosten en consequenties van centralisatie / samenwerking inzichtelijk worden gemaakt. Op basis van een dergelijk financieel beleidskader is het mogelijk om steeds dezelfde spelregels te volgen in samenwerkingstrajecten. Dit voorkomt dat de besluitvormers zich steeds per dossier geconfronteerd zien met gewijzigde definities, analyses en discussies over financiële aspecten. Op die manier is een betere afweging mogelijk in besluitvormingsprocessen. Arena Consulting ontwikkelt een beleidskader met onderstaande onderdelen.
– Definities van kosten / kostensoorten (piofach, overhead, frictie, ontvlechting en desintegratie)
– Werkwijze om kosten inzichtelijk te maken (rekenmodel en richtlijn voor bepaling absolute en relatieve omvang kosten)
– Betekenis van de vorm van samenwerking (gemeenschappelijke regeling, shared service, netwerkmodel) op hantering van het financieel beleidskader
– Effect van samenwerking op tarieven en overhead
– Financiële risico’s en buffers / weerstandsvermogen
– Casusuitwerking met scenario’s ten aanzien van effecten van taakverschuiving
Provinciale Staten (PS) hebben een kaderstellende en controlerende rol richting Gedeputeerde Staten (GS) als het gaat om de vaststelling en uitvoering van het provinciale beleid. De uitvoering van dit beleid gebeurt niet altijd door de provincie zelf. Deels gebeurt dit door private- of publiekrechtelijke (samenwerkings)organisaties waarin de provincie een direct bestuurlijk én financieel belang heeft. Provinciale Staten van Drenthe heeft Arena Consulting gevraagd te adviseren over de wijze waarop zij vanuit hun rol sturing kunnen geven aan zogenaamde verbonden partijen.
Provinciale Staten wil vanuit haar controlerende en kaderstellende rol de beleidsuitvoering door verbonden partijen vroegtijdig en adequaat kunnen (bij)sturen. Deze sturingsbehoefte is er vanuit beleidsmatig oogpunt (‘draagt de uitvoering bij aan de doelstellingen en ambities?’) en financieel oogpunt (‘zijn de financiële risico’s voldoende onder controle?’). In de praktijk kan de invulling van de rol van PS en de feitelijke sturing problematisch zijn en tot discussie leiden. In zekere zin is de rol van PS daarbij beperkt en vooral indirect. Voor zover de provincie participeert in een verbonden partij, is dat in regel via een lid van het college van GS. De sturing van PS zal dan ook via GS moeten plaatsvinden.
Om haar kaderstellende en controlerende rol beter te kunnen invullen willen PS van Drenthe meer inzicht in de sturingsmogelijkheden (instrumenten) richting verbonden partijen. Om dat inzicht te krijgen laat de griffie van de provincie Drenthe een verkennend onderzoek uitvoeren dat antwoord moet geven op de volgende vragen:
Welke (indirecte) sturingsmogelijkheden hebben PS richting verbonden partijen?
Hoe kunnen PS in dit kader haar sturingsmogelijkheden verbeteren?
Hoe kan dat concreet vorm krijgen?
De verkenning is uitgevoerd aan de hand van gesprekken met statenleden en gedeputeerden, bestaande literatuur en inzichten en (ter illustratie) de concrete casuïstiek in Drenthe. Uitkomsten van de verkenning zijn vastgelegd in een handreiking. Op basis van de handreiking en een masterclass hebben provinciale staten besloten tot een critische evaluatie van bestaande verbonden partijen en verbetering van de eigen informatie- en sturingspositie.
Arena Consulting gaat samen met Pro Facto in opdracht van het WODC een onderzoek uitvoeren naar de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit. Bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit is een goed samenspel tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke instanties van groot belang. Niet alleen om de criminaliteit effectief aan te pakken, met name ook om de voedingsbodem voor (georganiseerde) criminaliteit zo schraal mogelijk te houden en te voorkomen dat de overheid criminelen faciliteert. Gemeenten hebben verschillende mogelijkheden om drempels op te werpen voor crimineel gedrag. Bijvoorbeeld via het reguliere toezicht, door het vergunningenbeleid, via het wijkbeheer of de ruimtelijke ordening.
De Regionale Informatie en Expertise Centra (kortweg RIEC’s) spelen bij deze aanpak een belangrijke rol. De RIEC’s kunnen gemeenten ondersteunen met kennis en expertise en waar nodig assisteren bij een antecedentenonderzoek naar bijvoorbeeld een aanvrager van een vergunning.
In 2009 is een zogenaamde nulmeting van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit uitgevoerd. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft (via het WODC) Arena Consulting gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de landelijke stand van zaken in 2012. In dit onderzoek – dat we samen met Pro Facto doen – staan de volgende vragen centraal:
Hoe ziet de gemeentelijke aanpak van georganiseerde criminaliteit eruit? Qua prioriteiten? Qua organisatie en inzet van instrumenten? Qua samenwerking met andere partners?
Hoe ziet de samenwerking met de RIEC’s eruit?
Wat loopt goed? Wat niet? wat zijn daarvan de oorzaken?
In hoeverre verschilt dit van de situatie in 2009?
Wat zijn de belangrijkste verbeterpunten?
Het onderzoek richt zich zowel op de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit in het algemeen als op een aantal specifieke thema’s zoals hennepteelt, mensenhandel en –smokkel, witwassen, vastgoedfraude en handhavingsknelpunten/vrijplaatsen.
De kern van het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een online bevraging van alle gemeenten. Daarnaast worden een aantal gemeenten en RIEC’s geïnterviewd en wordt een aantal expertmeetings georganiseerd rond specifieke thema’s.
Het onderzoek is gestart in september moet rond 1 maart 2013 zijn afgerond.
Arena Consulting gaat samen met Pro Facto in opdracht van het WODC de Wet Politiegegevens evalueren. Voor handhaving en opsporing is een goede informatiepositie van de politie essentieel. Dat betekent dat de politie niet alleen moet kunnen beschikken over actuele en waar nodig gedetailleerde informatie over verdachten, getuigen en overige betrokkenen in en rond criminele activiteiten, maar deze informatie ook moet kunnen bewerken en uitwisselen. Daar staat tegenover dat de wetgever ook een goede privacybescherming wil waarborgen. Politie-informatie balanceert in dat opzicht tussen maximale beschikschikbaarheid en uitwisselbaarheid met het oog op de slagkracht van de politie en ‘beschotting’ van informatie met het oog op privacybescherming. De Wet politiegegevens (Wpg) uit 2008 beoogt beide belangen te behartigen.
Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft (via het WODC) aan Arena Consulting gevraagd een evaluatie van deze wet uit te voeren. In de evaluatie – die Arena Consulting samen met Pro Facto uitvoert – staan de volgende vragen centraal:
Wat is de beleidstheorie van de Wpg? Wat zijn de doelstellingen, hoe zouden deze moeten worden bereikt en welke condities creëert de wet daartoe? Zowel wat betreft de privacybescherming (juridisch spoor) als de effectiviteit van de politie (bedrijfsmatig spoor)?
Hoe worden de eisen van de Wpg in praktijk gebracht binnen de organisatie van de politie? Wat gaat daarbij goed? Wat gaat daarbij niet goed? In hoeverre is deze praktijk in overeenstemming met de beleidstheorie? Hoe verhoudt de Wpg zich met de WOB en internationale wetgeving en waar liggen de knelpunten?
Welke verklaringen zijn er voor het succes en falen en het afwijken van de beleidstheorie?
Wat zijn de belangrijkste verbeterpunten? Inzake de wetgeving? Inzake de uitvoeringsorganisatie bij de politie? Het laatste ook in het licht van een aantal ontwikkelingen, zoals de vorming van een Nationale Politie.
De kern van het onderzoek bestaat uit een aantal vergelijkende casestudies bij vier politiekorpsen. Daarnaast wordt een aantal gesprekken gevoerd met bij het tot stand komen van de wet betrokken partijen en worden er twee expertmeetings georganiseerd. Bij de expertmeetings wordt specifiek gekeken naar respectievelijk de doelstellingen op het gebied van privacy in de Wpg en de doelstellingen inzake de slagkracht van de politie.
Het onderzoek start in oktober en zal naar verwachting in april/mei 2013 worden afgerond.
In het college van Steenwijkerland waren vragen ontstaan over de financiële consequenties van de RUD naar aanleiding van de behandeling van het bedrijfsplan van de RUD IJsselland. Het college heeft Arena Consulting gevraagd het inzicht in de financiële consequenties te vergroten door middel van het uitvoeren van business cases.
Op basis van de business cases moest inzichtelijk worden wat de financiële consequenties (binnen de huidige beschikbare kaders) van de RUD voor de gemeente Steenwijkerland zouden zijn. Hiertoe zijn enkele scenario’s ontwikkeld, die ieder op zich afhankelijk zijn van keuzen bij de inrichting van de RUD.
In de scenario’s is rekening gehouden met:
de uitwerking in het ‘Bedrijfsplan RUD’s IJsselland en Twente, april 2012’,
de landelijke efficiencykorting,
de mogelijkheden om efficiencyvoordelen en verdienmogelijkheden te benutten,
de gevolgen van het voldoen aan de kwaliteitscriteria kritieke massa (KPMG) en
de kosten voor de achterblijvende organisatie, indien delen van het proces niet bij de RUD belegd worden (bijv. loketfunctie, publicatie, besluitvorming).
Door Arena Consulting is een doorrekentool ontwikkeld, waarin verschillende scenario’s kunnen worden berekend. Daarbij zijn met verschillende variabelen en varianten doorgerekend, namelijk met verschillende uitvoeringsniveaus van de taken, uitvoering van de taken binnenshuis of uitbesteed en verschillende takenpakketten (basistakenpakket, milieubreed en Wabobreed). Op deze manier is meer inzicht verkregen in de financiële consequenties van de RUD op basis van het uitvoeringsniveau, uitbesteding en takenpakket voor het college van Steenwijkerland.
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft veel teweeg gebracht bij gemeenten. Naast een grote verandering in het wettelijk kader heeft de wet ook geleid tot een herijking van de dienstverlening en bedrijfsvoering van de gemeentelijke taakuitvoering. De gemeente Deventer heeft Pro facto en Arena Consulting gevraagd om een formatie-onderzoek te doen. Dit mede in het licht van de ontwikkelingen die op korte en middellange termijn van invloed zijn op de taken voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken).
Op 1 oktober 2010 trad de Wabo in werking. Voor iedere gemeente had dit grote gevolgen voor de uitvoering van de VTH-taken. Niet alleen werd een groot deel van de vergunningplichtige activiteiten vergunningvrij en zijn bevoegdheden tussen overheidslagen verschoven, ook termijnen, procedures, indieningsvereisten, (digitale) indieningsmogelijkheden en bezwaar en beroep wijzigden bij wet. De wetswijziging leidde ook tot een heroriëntatie van de uitvoering. Werkprocessen werden integraler, uitvoeringsniveaus werden vastgelegd, forse investeringen werden gedaan in de automatisering en het vergunningenmanagement kreeg een flinke impuls. Het beter op elkaar laten aansluiten van de diverse disciplines binnen de gemeente leidde tot een integrale en transparante dienstverlening aan burgers en bedrijfsleven.
Maar, we zijn er nog niet. De inwerkingtreding heeft een staartje. Veranderingen in organisatie, processen, automatisering en bovenal cultuur hebben een lange tijd nodig om tot het gewenste effect te leiden. Daarbovenop komt dat het VTH-werkveld volop in beweging blijft met onder meer de vorming van de Regionale UitvoeringsDiensten (RUD’s), de in ontwikkeling zijnde omgevingswet en de kwaliteitscriteria die (nog) als referentiekader dienen.
De gemeente Deventer vroeg naar aanleiding van de recente en toekomstige ontwikkelingen een formatie-onderzoek met de volgende elementen:
In beeld brengen van de benodigde formatie (norm).
Vergelijken met de beschikbare formatie (feit).
Aangeven door welke factoren de verschillen ontstaan.
Adviezen geven hoe verschillen te overbruggen.
Voor de uitvoering van het onderzoek maken we gebruik van de vier-brillen-benadering. Deze benadering is ontwikkeld om te komen tot een objectieve en evenwichtige analyse. In deze vier-brillen-benadering worden verschillende normstellingen geanalyseerd. Deze normstellingen worden vervolgens vergeleken met de daadwerkelijk aangetroffen situatie.
Bril ‘Deventer normen’. Normen die door de organisatie zelf worden gehanteerd. Dit kunnen feitelijke of wenselijke normen zijn.
Bril ‘Referentienormen’. Normen zoals die door gelijksoortige organisaties worden gehanteerd.
Bril ‘Normen van derden’. Normen zoals die ‘hogere’, ‘toezichthoudende’ of ‘belangenbehartigende’ overheden worden gehanteerd.
Bril ‘Expertoordeel’. Normen zoals die door de erkende en bekende personen en instituten worden gehanteerd.
Dit onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met Pro facto.
Op Voorne-Putten krijgt de samenwerking op diverse inhoudelijke dossiersconcrete gestalte (economische visie, ruimtelijke visie, bedrijventerreinen, toerisme en recreatie). De gemeenten zien samenwerking als een oplossing om tegemoet te komen aan de toenemende druk op de taakuitvoering. Deze druk is veelzijdig: taakverzwaring door decentralisatie van rijks- en provincietaken, gemeenteoverstijgende beleidskeuzes, maatschappelijke behoefte voor een hoger niveau van dienstverlening, verhogen van de efficiency en landelijke kwaliteitscriteria die vragen om schaalgrootte en kritieke massa. Op het dossier Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) binnen het omgevingsrecht is de samenwerkingsdruk zeker aanwezig. Deze wordt versterkt door landelijke kwaliteiteisen die normen stellen aan de kritieke massa voor de taakuitvoering.
Ook is – mede naar aanleiding van advies van de commissie Mans – een landelijk bestuursakkoord gesloten voor opschaling van de taken. Zo staan in het basistakenpakket de gemeentelijke taken die overgedragen dienen te worden naar een Regionale UitvoeringsDienst (RUD) en zijn voor deze en overige taken kwaliteitscriteria beschreven waaraan vergunningverlenende, toezicht houdende en handhavende organisaties moeten voldoen. Deze criteria hebben betrekking op het proces (strategische en operationele beleidscyclus), de kritieke massa (teamomvang, frequentie, opleiding, kennis en werkervaring) en inhoud en prioriteit van de werkzaamheden.
De gemeenten op Voorne Putten hebben Arena Consulting de opdracht gegeven te onderzoeken in welke vorm(en) een gezamenlijke uitvoering van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht bestuurlijk en organisatorisch haalbaar is. De haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd in vier stappen:
Analyse van het gemeentelijke uitvoeringsniveau.
Spiegeling aan de wettelijke plicht.
Inzicht in de politiek-bestuurlijke overwegingen, ambities en breekpunten.
Inzicht in de samenwerkingsopties en de ambtelijke wil
Alle Noord-Hollandse handhavingpartners hebben in 2005 een Bestuursovereenkomst gesloten om de samenwerking voor de milieuhandhaving tre versterken. Arena voert een evaluatie uit naar de doeltreffendheid en effectiviteit. De evaluatie heeft onder meer betrekking op het samenspel tussen bestuursrecht en strafrecht.
De conclusies worden gebruikt voor een nieuwe Bestuursovereenkomst met een voorgestelde verbreding naar het omgevingsrecht.